
Bongiwe Dlamini
"Toen mijn vader doodging, was mijn moeder er niet. Ik was bij mijn vader, en hij stuurde me om water te gaan halen en toen ik terug kwam en probeerde om hem wat water te geven, was hij dood. Hij kon niet meer praten."
Bongiwe vertelt over het overlijden van haar vader. Ze is het oudste meisje in een familie van vier kinderen die allemaal in een tehuis voor AIDS-wezen wonen. Alle vier zijn ze getuige geweest van de dood van hun beide ouders.
Wanneer Bongiwe in een ander gesprek gevraagd wordt naar het overlijden van haar moeder, raakt ze helemaal van streekt en stamelt in gebroken Engels:
"Ik zag een lijkwagen naar ons huis komen en ik wist meteen dat m'n moeder dood was."
De oma van de kinderen leeft nog, maar kan niet meer voor ze zorgen. Ze heeft zelf nog vijf jonge kinderen waarmee ze in een huis met twee kamers woont; met haar werk als schoonmaakster verdient ze minder dan € 35,- per maand, wat niet genoeg is om met het hele gezin van rond te komen.
Eén van de vrijwilligers op het weeshuis, Paul, vertelt een mooi verhaal over Sihle, het broertje van Bongiwe:
"Op een dag namen we hem mee naar de dokter om behandeld te worden voor een oorontsteking. Het deed veel pijn, dus toen het voorbij was kochten we een reep chocola om hem op te vrolijken. De hele weg naar huis nam hij echter geen hap van de reep, en we konden er maar niet achter komen wat er mis was. Pas later ontdekten we dat hij de reep bewaard had om hem te delen met alle andere 24 kinderen die in het weeshuis wonen!"

